3

'Geef me één reden om niet te geloven dat je in dat café zat om me af te leiden.'

Regenstorm heeft haar masker opgezet en haar hemd en broek gewisseld voor het spandex-pakje dat ze als superheld altijd draagt. Ze kijkt me achterdochtig aan, met haar armen gekruist en haar hoofd een tikje schuin.

'Ik heb geen contact meer met mijn vader. Ik wist niet dat je in dat café zou zitten. Ik wist niet dat hij van plan was iets te doen vandaag,' zeg ik met uitgestreken gezicht, terwijl ik mijn zinnen tel op mijn vingers.

Ik weet goed genoeg dat ze me niet zal geloven. Het glijden en prikken van metaal en het bijhorende klikken van de handboei rond mijn pols bevestigt mijn gedachte. De tweede gaat rond Regenstorms eigen pols.

'Je blijft bij mij tot de politie hier is,' verklaart ze.

'Had je me dan niet beter vastgemaakt aan een paal ofzoiets? Dat je zelf tenminste nog iets kan verrichten in de tussentijd.'

Ze rolt met haar ogen. 'Als je wil kan ik ook ducttape over je mond plakken, zodat je helemaal in de juiste sfeer komt.'

'Kinky.'

Ze trekt een donkere wenkbrauw op.

'Kijk, ik heb er echt niks mee te maken. Ik wist van niks. Het is laat. Het is donker. Ik wil nog een paar cocktails drinken tot ik ver heen ben en dan naar mijn appartement slenteren en hopen dat mijn vriendin ondertussen overreden werd door een bus.' Het duurt even voor mijn woorden in mijn eigen hoofd verwerkt zijn. 'Wacht. Schrap dat laatste. Dat spreekt niet in mijn voordeel.'

'Je blijft bij mij tot je naar het politiekantoor kan. Ik neem geen risico's met jouw familie.'

Het steekt, daar waar mijn hart hoort te zitten. Jouw familie. Wat voor vader laat zijn dochter achter zodat hij meer tijd heeft om met iemand korte metten te maken? En om er dan nog keer op keer in te falen ook.

Als hij erin geslaagd was bevond ik me nu ongetwijfeld niet in deze positie. Niet dat ik wil dat hij mensen vermoordt. Echt niet.

'Wat ben je van plan te doen nu?' vraag ik. Mijn pols wiebelt onophoudend heen en weer, zodat de handboei rammelt, tot Regenstorm haar vingers in mijn huid duwt en mijn hand stilhoudt.

'Kijken of ik iets van informatie uit die man kan krijgen. Buiten het bloedspoor en Khalys' signatuur kan ik geen sporen vinden.'

'Heb je geen bovennatuurlijke krachten die je vingerafdrukken kunnen doen vinden? Geen röntgenogen of iets dergelijks, nee?'

'Natuurlijk wel,' antwoordt ze, terwijl ze haar pas versneld.

'Ik geloof er niets van.'

'Niet mijn probleem.'

Ik kan haar nauwelijks volgen, maar dat lijkt haar niet te kunnen schelen. Ze lijkt zelfs extra aan mijn pols te trekken om me te tergen. Misschien beeld ik het me in.

'Ik heb er echt niets mee te maken. Ik ben niet zoals mijn vader. Vind je het niet een beetje hypocriet dat je me veroordeeld voor mijn afkomst? Horen superhelden niet in iedereen het goede te zien?'

Ze stopt met wandelen, waardoor ik over mijn eigen voeten struikel en mijn evenwicht verlies. Ik grijp me vast aan haar arm, voor ik voor de tweede keer vandaag op mijn gezicht kan gaan.

Regenstorm kijkt me zwijgend maar doordringend aan.

'Ik vind het niet eerlijk,' gooi ik eruit. 'Ik heb nooit iets verkeerd gedaan. Ik heb nooit gespiekt op toetsen, nooit vrienden verraden, nooit dingen gestolen. Ik ben zelfs nog nooit met alcohol in mijn bloed achter het stuur gekropen. Ik ben onschuldig.'

'Je hebt net nog gezegd dat je hoopt dat je vriendin overreden wordt door een bus.'

Gefrustreerd blaas ik mijn adem uit. 'Het is niet eerlijk dat je dat tegen me gebruikt. Alsof jij nooit dingen zegt die je niet meent wanneer je boos bent.'

De vrouw lijkt mijn woorden even te overwegen, maar reageert er nauwelijks op. Zonder antwoord te geven begint ze weer richting het café te wandelen. Zodra we binnen zijn is iedere kans die ik had om haar te overtuigen verkeken.

Regenstorm vraagt na of de hulpdiensten al gebeld zijn. Wanneer niemand dat gedaan blijkt te hebben, zie ik haar mondhoek vertrekken, maar ze levert er geen weerwoord op. In plaats daarvan haalt ze ergens een telefoon vandaan en belt ze zelf. Daarna knoopt ze een gesprekje aan met de bebloede man, die inmiddels wat gekalmeerd lijkt te zijn.

Ik was beter toch naar het ziekenhuis gegaan. Daar nu op spoed zitten wachten op een dokter die betere dingen te doen heeft, klinkt aantrekkelijker dan hier vastgeketend staan aan Regenstorm terwijl ze een zielige man ondervraagt.

Hij komt me wel bekend voor, nu ik hem beter bekijk. Zwakke kaaklijn. Blauwgroene ogen. Brakke neus. Hetzelfde kapsel als... Jim.

Maar hij is niet Jim. Dat is de enige zekerheid die ik heb. Het zou wel zijn broer kunnen zijn. Als hij er één heeft. Ik wil liever niet stilstaan bij wat dat zou betekenen voor mijn vader zijn beweegredenen. De man zei immers dat er iets scheelde met zijn broer. Die broer was nergens te bekennen.

'Wat is er gebeurd?' vraagt Regenstorm kalm.

'Ze hebben hem meegepakt. Mijn broer. Iemand hield me tegen tijdens het rijden en... het gebeurde allemaal zo snel. Ze staken hem neer en-en-' Hij legt zijn gezicht in zijn handen. 'Daarna hebben ze hem meegenomen.'

'Wie bedoel je met "ze"?' vraag ik.

Dat levert me een berispende blik van de superheld op. Ik rol met mijn ogen en probeer mijn armen te kruisen, tot ik het gewicht van Regenstorms arm voel en me herinner dat ik weinig beweegruimte heb.

'Ik heb het niet goed gezien. Enkele deden zich voor als politieagenten. De rest... de rest kan ik me niet goed meer herinneren. Mensen lieve deugd. Wat-' De man schudt met zijn hoofd. 'Wat is er gebeurd? Waaraan heb ik dit verdient.'

'Hoe heet je broer?' werp ik hem toe, op hetzelfde moment dat Regenstorm hem vraagt om zijn broer te beschrijven. Opnieuw kijkt ze me achterdochtig aan, dit keer met haar ogen nog iets nauwer tot spleetjes geknepen. De donkerbruine huid van haar voorhoofd trekt in rimpels, terwijl ze fronst.

'Jim. Ik was hem net gaan halen bij het theater. Hij ging er naar een voorstelling kijken, ofzoiets,' enkele dikke tranen rollen over zijn wangen, 'maar zijn beste vriendin had hem opgehaald en dan was er iets gebeurt - hij zei niet wat - en wilde hij dat ik hem weer kwam halen. Ik weet niet goed-' Zijn duim begint ritmisch zijn ogen droog te vegen. 'Zou het één misschien met het ander te maken kunnen hebben?'

Regenstorm werpt me een teleurgestelde blik toe, voor ze de man een bemoedigende glimlach schenkt en ze zegt: 'Dat zullen we zeker onderzoeken. Ik stel voor dat u hier blijft tot de politie hier is, dan kan u aan hen een verklaring afleggen en dan zullen zij u verderhelpen.'

De man snikt, maar protesteert niet. De mensen die zich over hem ontfermd hadden, toen de superheld en ik naar buiten waren gegaan, beginnen weer tegen hem te praten. Iets over een voetbalwedstrijd, bier, tennistechnieken, varkensvoeding. Alles wat hem zou kunnen afleiden van de onfortuinlijke situatie.

Regenstorm sleurt me mee naar de bar. Daar stopt ze echter niet, ze gooit alleen een paar briefjes op de toog om te betalen, waarna ze me verder naar de uitgang toe trekt.

'Ik moet ook nog betalen!' protesteer ik.

Ik ben me ervan bewust dat het mensen begint op te vallen dat ik aan de vrouw geketend ben. Ogen beginnen mijn kant op te schuiven, de ene persoon kijkt al subtieler dan de ander. Misschien beeld ik het me in, maar ik zweer dat ik mensen dingen kan horen fluisteren die lijken op: 'Is dat niet die vrouw die op het nieuws was? Die die in de goot lag.'

Ik ga er nooit meer overheen geraken. Mijn handpalmen en knieën beginnen weer te schuren en prikken wanneer ik eraan terugdenk. Mijn reputatie is voorgoed geschaad.

'Ik wil nog wel een cocktail eigenlijk,' voeg ik nog toe.

'Ik denk dat je al genoeg ophebt,' dient Regenstorm me van antwoord. 'En ik heb extra betaald voor jouw drankjes.'

'Waarom?'

Ze duwt de deur open en wacht tot hij weer achter ons is dichtgevallen, voor ze bruusk stopt en ik bijna mijn evenwicht verlies.

'Omdat ik je ga ontvoeren,' snauwt ze me toe.

'Waarom?'

Ze rolt met haar ogen. 'Omdat je liegt. Omdat je dingen weet die ons kunnen helpen, maar ik er zeker van ben dat de politie ze niet uit je zouden krijgen. Ze zijn te laks.'

'Dus ga je me ontvoeren? Is dat niet illegaal?'

'Ik zei helemaal niet ontvoeren.' Ze lijkt zichzelf weer bij elkaar geraapt te hebben en ziet er weer meer kalm geërgerd uit dan woedend. 'Ik zei meepakken voor verhoor. We hebben onze eigen instantie.'

Ik trek mijn wenkbrauwen op. 'Twee vragen. Wie zijn "we" en waarom ging je me dan eerst aan de politie geven?'

'Dat eerste zal je snel ontdekken. Dat tweede werd beïnvloed door hoe irritant je bent en het feit dat ik dacht dat je onschadelijk was.'

'Ik ben ook onschadelijk. Ik heb er niks mee te maken.' Ik steek mijn niet geboeide hand omhoog. 'Het ziet er slecht uit voor me, dat besef ik ook wel, maar ik heb echt niks gedaan. Echt, echt, echt niet.'

'Ik geloof je niet.'

'Dat dacht ik al.' Ik zucht en net zoals met het rondslepen aan de handboei protesteer ik niet langer. Het heeft toch geen zin.

Iedereen lijkt al een oordeel klaar te hebben, ofwel ben ik niemand ofwel ben ik de dochter van een superschurk. Onzichtbaar of berucht. Ik haat beide.

Ik haat mijn achternaam. Ik haat mijn donkere haar. Ik haat mijn grijsgroene ogen en mijn stomme neus. Ik haat de manier waarop ik lach, net zoals hij lachte. Ik haat de manier waarop ik mijn t net iets te scherp uitspreek en mijn s te sissend, een gewoonte die hij ook had. Ik haat hoe ik nog steeds droom dat hij terug gaat komen. Ik haat hoe ik-

Ik haat hoe ik niet kwaad kan zijn op mijn vriendin omdat ze kust met haar beste vriend zonder dat mijn vader me een stap voor is. Hij heeft hem. Ik weet dat hij hem heeft. Niemand anders schrijft klop klop in verf op een auto. Niemand anders zou Jim van alle mensen uitkiezen, op de avond dat hij openbaar met mijn vriendin gezien wordt.

Een gekke bieptoon haalt me uit mijn gedachten. Verdwaasd kijk ik even rond me, voor mijn blik op Regenstorms telefoonscherm valt. Een gpsapp.

'Ik ga je ernaartoe vliegen,' zegt ze.

'Ik heb hoogtevrees.'

'Simpel op te lossen.'

Ik heb niet eens de tijd om te vragen hoe. Ze tilt me op, gooit me half over haar schouder en zet zich met een sprong af. Ik knijp mijn ogen meteen dicht en probeer niet over te geven, terwijl we door de lucht suizen.

Ik mag straks niet vergeten te vragen hoe dit iets opgelost heeft.

Bạn đang đọc truyện trên: AzTruyen.Top