Kaars
Grijs. Grijze muren, grijze tralies.
De negentien jarige Daan zat al maanden in het gevang omdat hij het systeem van de bank had gehackt en de informatie had doorverkocht aan "verkeerde figuren", zoals de rechter het noemde. Het enige contact wat hij nog had met de buitenwereld, waren de gesprekken die hij met zijn vriend had een keer in de week, op zaterdag.
Deze zaterdag was het weer zover. Hij mocht praten met Rye! Nou... praten... Het was meer een soort bellen: tegenover elkaar staan met een glasplaat ertussen en alleen kunnen communiceren door een soort telefoons. Het was niet de fijnste manier om met elkaar te kunnen praten, maar dat zou ook niet logisch zijn omdat het een gevangenis was.
"Hi Daan" zei Rye door de telefoon van de glasplaat. "Hoi" zei Daan moedeloos terug. "Hè niet zo verdrietig, over een paar maanden mag je hier al uit!" Daan knikte en zei al wat overtuigender: "Weet je? Als ik uit deze cel kom ga ik me beter gedragen." De uitdrukking op het gezicht van Rye veranderde naar blij: "Zo mag ik het horen! Dat moeten we vieren!" Daan schudde lichtjes zijn hoofd en mompelde: "Nee" "Dude, wat zei je ik kon je niet verstaan" "Nee" zei Daan vastbesloten: "Nee, geen feesten meer elke zaterdag avond tot laat. Geen drank meer elke dag. Geen gehack. Geen relaties van twee dagen. Geen slechte dingen meer" zei hij met een vastbesloten blik. "Wouw, gast! Je hebt jezelf overtroffen dit keer! Die gevangenis is goed voor je" Hij krijgt een geërgerde blik naar zich toegeworpen van Daan "Oké oké... Het is irritant maar je hebt je les wel geleerd hierdoor?" "Ja dat is waar" Rye keek opeens een glimlach op zijn gezicht die wel iets weghad van een grijns. "Wat is er? Wat heb je?" vroeg Daan met een lach op zijn gezicht. "Wat nou... Als je in plaats van een feestje, wat je dus niet wilde doen, een papiertje verbrand!" Daan keek geïnteresseerd naar Rye, dat idee beviel hem wel: "Dat kan natuurlijk, maar je kan ook nog wat anders verbranden, maar misschien iets wat langzamer brand..."
De weken daarna praatten ze verder over wat het uiteindelijk zal worden: een schrift, een boek, een plant, een tak. Maar uiteindelijk waren ze eruit. Het werd een kaars.
Daan werd vrijgelaten. Eerder dan hij had verwacht, vanwege zijn 'goede gedrag'. Nadat hij het hele gezeik van bewakers had gehad over dat hij geen overtredingen mocht maken ook al waren ze klein want dan zou hij nog zijn straf af moeten maken. Daan was dit echter niet van plan. Hij was van plan zijn leven te beteren.
Nadat hij al het gepraat had aangehoord, werd hij door twee bewakers naar de poort geleid. Naarmate hij dichterbij de poort kwam hoorde hij steeds een geluid harder en harder worden. Het klonk als geschreeuw.
Toen hij eindelijk bij de poort aankwam zag hij dat het zijn vriend, Rye, was. "Rye!" schreeuwde Daan terwijl hij naar Rye toe rende. "Daan" riep Rye terwijl hij Daan een knuffel gaf. Daan knuffelde een beetje ongemakkelijk terug. Rye liet los en zei tegen Daan met een opgewekt gezicht: "Ik heb hem mee!" Daan keek eerst onbegrijpelijk, maar toen drong het tot hem door: "De kaars!" zei hij met een glimlach op zijn gezicht en hij vroeg aan Rye: "Mag ik hem?" "Ja. Ja! Hier krijg je hem." Hij haalde uit zijn tas een witte kaars. "Dank je wel, het betekend veel voor me." zei Daan met een gezicht dat hij het echt meende.
Op de terugweg in de auto naar huis staarde hij naar de kaars in zijn handen. Hij wist niet goed wat hij moest zeggen dus zei hij maar niks. Vervolgens parkeerde Rye bij het huis van Daan en zei: "Veel succes nog hè!" "Dankjewel" mompelde Daan terwijl de auto van Rye wegreed.
Binnen in zijn huis ging Daan naar zijn kamer om een aansteker te pakken. Aansteker, trui, check check. Hij ging naar buiten, naar het bos. Het was een eindje wandelen maar dat had hij ervoor over. Hij moest tot zichzelf komen. Alleen.
In het bos beland liep hij nog een stukje door, omdat hij een iets dieper en donkerder stukje wilde hebben. Hij ging zitten bij de boom waar hij vroeger, toen hij jonger was, altijd speelde met zijn vrienden. Hij stak de kaars aan in zijn hand en zette de brandende kaars neer in de vochtige bladeren die op de grond lagen.
En met de kaars brandde de slechte kant van Daan op. Nadat de kaars helemaal was opgebrand, en hij al de gedachten van zijn minder goede kant omver schoof, stond hij op. Denkend aan al de dingen die hij ooit fout had gedaan en nooit fout meer zal proberen te doen.
Bạn đang đọc truyện trên: AzTruyen.Top