63. Een onbekend wezen

Hoofdstukje OnzinPower

Ongelooflijk dit. Eerst Fribelium, toen de Sáthu, daarna Atlaantis... waar gaat het heen? Straks gaan ook de sàthéstòkn zich er nog mee bemoeien! Dat moeten we niet hebben! Die zijn nog corrupter dan Rack, de ko
Maakt niet uit. Met een lui paard aan mijn zijde ging ik op weg naar waar ik wezen moest. Ver kwam ik helaas niet. Mijn luie paard werd al vrij snel aangevallen door een luiaard. Ik wist hem snel te vermoorden met mijn kruisboog. Daarna werd mijn luie paard aangevallen door luipaard. Ik snap de ironie. Hoe dan ook, nadat mijn luie paard stierf zag ik eindelijk kans het luipaard af te maken. Ik had alleen geen rekening gehouden met een welpje. Dat zag mijn als zijn... moeder? Fijn. Nu ik had ik geen lui paard, maar een luipaardwelpje. Geweldig.
Ik was op weg naar Wickerxott, om "generaal" Theren Black te spreken. Hoe moest zijn langgeplande coup plegen. Daarna moest ik naar Fregardos om Rack eens flink "dwars te zitten". Als laatste moest ik ene Conley nog vervelen.
De weg naar Wickerxott was ver. Te ver. Volgens het concept van de kaart, een goede was er nog niet. Het irritante was dat ik door een moeras moest. In dat moeras heerste de Doodskopbende. Ik had nog geen tijd om die bende op te rollen. Daar heb ik spijt van, ik had het eerder moeten doen. Zodra ik het moeras alleen al binnenkwam was er een val gezet. De uitvoerders waren sneller dood dan jij hippopotomonstrosesoquippepedaliofobie kan zeggen (ongeveer 2.27 seconden). Wat meteen maar weer bewijst dat ik geen hippopotomonstrosesoquippepedaliofobist ben. Zodra ik verderging door het moeras heb ik nog talloze leden vermoord. Alleen mannen. Vreemd. Er was blijkbaar geen vrouw dapper genoeg om bij de bende te gaan. Later bleek dat ik het mis had.
In het hart van het moeras was het kamp van de Doodskopbende. Zeer toepasselijke naam trouwens. Het grootste gedeelte van de leden bestond inmiddels uit dode mensen.
Daar werd ik, hoe kan het ook anders, met een val ontvangen. Helaas kon ik niet op tegen zeshonderdzesenzestig (moet met cijfers, weet ik) man en bonden ze me vast. Ik werd meegenomen in een grot. Daar zag ik de leidster van de bende. Ja, dat lees je goed: leidster.
Ze was lang, dun en had hoge jukbeenderen. Ze was gestoken in een groenig broek met een al even groenig shirt. Eigenlijk was ze best aantrekkelijk.
'Wat doe jij hier?! Dit is ons moeras! Ik weet echt wel wie je bent!'
'Oh, weet je dat. Moet ik nu bang zijn?'
'Iedereen kent die legende die om jou heen hangt. Wie jouw naam kent, heeft jouw krachten.'
'Nee, dat is Repelsteeltje."
'Oh. Verkeerde verhaal. Excuses. Verbetering: iedereen kent de legende die om jou heen hangt. Wie weet wat voor ras je bent en hoe je heet, heeft jouw krachen.'
'Bedoel je krachen als de beurskrach in New York, tussen de eerste en tweede wereldoorlog?'
'Wachters! Keten hem vast!" De wachters deden helaas wat ze zei. Zodra ze me op een bord hadden vastgebonden kwam de leidster naar me toe. Van dichtbij zag ze er, ondanks haar beroep, nog aantrekkelijker uit.
'Betweters! Bah! Ik heb er een hekel aan!' Ze haalde ergens een dolk vandaan en stak deze in mijn arm.
'Ehm, moet ik nu "AU" roepen?'
Volgens mij was ze daar niet zo blij mee. Dat maakte ik in elk geval op aan de uithaal van haar dolk, dwars over mijn buik.
'Fijn! Nu kan ik een nieuw shirt kopen! Hoe heet je eigenlijk? Dan kan ik de rekening aan jou doen.'
Ze bracht haar hoofd dicht bij het mijne. Ik kan iets van een zoete geur ruiken. Misschien... misschien kunnen wij samen best een leven leiden... Helaas gaat dat niet. Het bloed dat uit mij was gevloeid begon zijn eigen leven te leiden. Het bloed liet de leidster van de Doodskopbende stikken, pakte de sleutel en maakte mij los. De bewakers lieten me zo gaan. Wat een attente mensen zijn het toch.
'Leuk, theevisite. Moeten we vaker doen.' De wachters raakten door die uitspraak volledig van de kaart. Er lag een kaart op de grond en die had ik weggehaald. Nu waren ze van de kaart af, want ik had hem.
Zodra ik het moeras uit was, vond ik mijn luipaardwelpje weer terug. Hoe die mij herkent weet ik niet, maar gevonden had hij me. Of zij, dat weet ik niet.
Het volgende obstakel op de weg was een grot. Vlak voordat ik eruit was liep ik wederom in een hinderlaag. Een laag van bladeren die mij zeer hinderde. Vlak nadat ik door de hinderlaag was, liep ik in een hinderhaag. Deze heb ik weggesneden. Daarna liep ik in nog een hinderlaag. De mannen die me meenamen roken naar bloed.
Wat er precies gebeurde kan ik het best vertellen aan de hand van de extractie van de gedachten van het luipaardwelpje.
Groen obstakel. Vervelend. Baas verwijderd met losse klauw in huid. Nu baas met andere baasachtigen. Die nemen hem mee. Ik ga mee. Baas word aan bruine slierten gemaakt. Baas wordt verwond. Ik red hem. Ik word tegengehouden daar vervelende baasachtige. Baas verliest rood sap. Lekker rood sap. Heb dorst. Rood sap verplaatst zich. Baas vreet baasachtigen op. Baas' vel valt dood neer. Baas nu rood sap.
Ja. Iedereen die dit goed begrijpt snapt het. (Leuk hè?) Ik ben nu een levende plas bloed.

Bạn đang đọc truyện trên: AzTruyen.Top