▪︎ 10 ▪︎

Het tweede dorp leverde net als het eerste niets op.

Jamie vond geen andere klanten van de Firvaanse markt meer en ook geen marktkramers die er nog mee in contact stonden. Ze had zo'n vermoeden dat de helft van de mensen hier er wel iets mee te maken hadden, maar het gewoon niet wilden zeggen, maar meer dan daarnaar gokken kon ze niet. Ze was niet opgevoed als een brutaal wicht die zomaar mensen zou bevelen om de waarheid te zeggen.

Rye en de prinses hadden nog minder succes. Waar Jamie toch nog één iemand had gesproken - en bovendien een mantel had gescoord -, had het tweetal vooral veel deuren in hun gezicht gekregen. De heks kon haar lach niet inhouden toen ze dat hoorde.

'Komt ervan als je mij achterlaat,' had ze gezegd, toen ze weer in het zadel waren geklommen.

Dat had haar een geërgerde blik van Rye en nerveus gefrommel met de teugels van Gwendolyn opgeleverd.

Ze waren alweer een tijdje onderweg - met Jamie als altijd op kop - toen de prinses haar paard de sporen gaf en naast de heks ging rijden.

'Ben je boos?'

'Boos? Ik? Hoe kom je daar nu bij?' Ze schonk Gwen een grijns, voor ze weer voor zich uit keek.

'Oké.'

Er ging een hele tijd voorbij waarin er niets gezegd werd en Jamie het moest doen met een paar zijdelingse blikken van prinses Gwendolyn.

Ze was niet boos. Als Gwen en Rye liever in hun eentje op stap wilden gaan was dat hun keus. Als zij het per se beter wilden weten. Als ze haar mee hadden gesleept voor niks.

'Je bent wel boos.' Het klonk niet als een beschuldiging.

'Ik ben niet boos.'

'We dachten dat je het leuker zou vinden als je eens niet opgezadeld zou zijn met ons. Of ja. Rye wilde hier in de eerste plaats al niet zijn, maar ik weet inmiddels wel dat je dingen liever in je eentje doet en dat je het irritant vindt dat wij erbij zijn.'

Jamie mompelde wat onsamenhangende klanken in een poging Gwens woorden te weerleggen.

Er klonk een zacht lachje van de prinses haar kant. 'Dat versta ik niet.'

'Dat weet ik.'

'Je bent schattig.'

'Niet waar.'

'Wel waar.'

De heks keek opzij, wetend dat haar wangen waarschijnlijk rood waren, en probeerde haar lippen in een streep te houden.

Rye kreunde gefrustreerd achter hen.

Dat deed Jamie wel lachen en Gwen op haar beurt ook.

Het lachen stopte snel toen de heks haar blik liet vallen op een zwartgeblakerde gebroken en omgevallen boomstam. Ze gebaarde naar haar reisgenoten dat ze trager moesten gaan rijden.

Achter de eerste kapot gebrande boom lagen er nog twee, drie, vier. Iets misplaatst beige lag ertussen, eronder, erachter, op half verbrande bladeren en half tot as vergane takken.

'Is dat een lijk?'

Het was Rye die het vroeg. Het klonk alsof hij zijn maag zou gaan legen op het aarden bospad.

'Eén manier om daar achter te komen.' Jamie liet haar paard tot een halt komen en klom met een behendige sprong uit het zadel.

Rye leek niet van plan haar te volgen en hoewel Gwendolyn er nieuwsgierig uitzag, leek ook zij liever in het zadel te blijven zitten.

De heks ging dan maar in haar eentje naar de verschroeide plaats toe. Het zag er niet juist uit. De helft was verbrand, de helft niet. Alsof het vuur ergens spontaan was beginnen branden en ook ergens spontaan was gestopt. Er waren verbrande plekken, doodnormale plekken en bloedvlekken.

Het was zeer zeker een lijk dat tussen de puinhoop lag. Niet één, maar twee.

Het eerste was van een man van middelbare leeftijd. Er zat een bloederige vlek en een snee ter hoogte van zijn hart. Hij had een kruisboog naast zich liggen met een doorgesneden pees. De pijlenkoker op zijn rug was leeg. Alleen bij zijn voeten en enkels was hij aangetast door het vuur.

Het tweede was van een jonge vrouw, nog jonger dan Jamie en Gwen, misschien een jaar of zeventien. Haar keel was doorgesneden. Ze had wel wat weg van de man naast haar, misschien zijn dochter. Ze had te weinig kleren aan voor het koude weer. Bij haar was het vuur tot hoger gekomen, heel haar rechterzijde stond vol blaren en tot diep verschroeide zwarte plekken.

De heks kokhalsde. Het was geen aangename geur. Ze had vaker brandwonden of andere stinkende kwaaltjes behandeld, maar een verbrand lijk was toch nog net iets anders.

Ze keek opzij het bos in, luisterend. Ze hadden niemand gezien op de weg vandaag. Geen boeren, geen jagers, geen moordenaars. Het enige geluid dat ze hoorde kwam van hun paarden en het wilde kloppen van haar hart.

Ze liep wat meer naar de bomen toe, hurkte naast een omgevallen, verschroeide stam neer en legde haar hand ertegen. Het duurde maar twee tellen voor haar hand begon te gloeien en er lichtstralen tussen haar vingers door sijpelden, alsof het niets was. Échte magie, zoals Gwendolyn het zou noemen. Ze gebruikte het niet veel, maar het kwam nog steeds als iets natuurlijks. Het was een deel van haar, een verlengde, dat ze kon gebruiken waar en wanneer ze maar wilde.

Ze voelde de magie van de boomstam afdruipen, door haar eigen magie heen. Het was een zoekspreuk die ze gebruikt had. Om te ontdekken wat de oorzaak van het vuur geweest was. Het was magie. Zwakke magie. Misschien van een leerling, een hobbyheks of een fee, misschien van iemand die geen idee had waarmee hij bezig was.

Het was vast een fee. Feeën dachten altijd dat ze alles konden, maar eigenlijk konden ze amper iets.

Ze stond weer op. Deze plek gaf haar de rillingen. Ze konden beter snel verderrijden. Deze mensen waren toch al dood, daar konden ze niets meer aan veranderen.

Toen ze weer naar haar paard toeliep stak ze twee vingers op naar Rye. 'Twee lijken. Geen teken van de moordenaar. De bomen zijn in brand gestoken door magie. Moest je geïnteresseerd zijn.'

Het was de prinses die antwoordde. 'Kan jij ook bomen in brand steken?'

'Ik dacht dat u alles wist over heksen?' Jamie grijnsde haar toe, voor ze knikte. 'Ik kan het ook.' Ze hield haar handpalm open en liet er een klein vlammetje op verschijnen, voor ze haar teugels weer vastpakte en zonder meer verder begon te rijden. 'Ik wil graag nog in het volgende dorp zijn voor het donker is. Dan kunnen we er nog rondgaan voor het slapengaan.'

Rye en Gwendolyn waren het daar volmondig mee eens. In de aanwezigheid zijn van doden leek geen van hen aan te staan.

Het duurde niet lang meer voor de inmiddels bekende vlaggen, en daarmee het volgende dorp, in het zicht kwamen. Jamie kreeg er een onbehaaglijk gevoel van. Niet dat ze de vlaggen lelijk vond. Er was helemaal niets mis mee. Ze vond alleen dat de bewoners die met de vlaggen paradeerden, het niet verdienden om ze uit te stallen - de meesten dan toch niet.

Ze hadden nog een paar uur voor het donker zou worden, een paar uur om nog een keer aan een vermoeiende, praktisch hopeloze ondervraging te beginnen.

De heks betwijfelde dat de mensen hier bereidwilliger zouden zijn om de waarheid te vertellen. De meesten hadden tenslotte afstand genomen van de Firvaanse markt met een reden.

Opnieuw gingen ze hun paarden al naar de herberg brengen, waar ze ze tegen een klein prijsje wat hooi en water konden geven.

Jamie liet haar hand over de manen van haar merrie glijden. Het was een heel mooi beest. Het leek zich te gedragen zoals zij zelf: niet elegant, maar ook niet lomp, gewoon recht. Niet opvallend maar ook niet weggestoken, niet statig, maar ook niet ingezakt, gewoon hier, in het nu, met beide voeten - of alle vier de hoeven - op de grond en het hoofd maar een beetje in de wolken.

Ze wilde er liever niet aan denken dat ze het paard binnenkort weer zou moeten achterlaten in de stallen van het koninklijk kasteel, dat ze binnenkort weer in de winkel moest gaan werken, elke dag weer hetzelfde liedje.

Ze zou blij zijn wanneer ze Astrid weer zag, ze zou haar een heel stevige knuffel geven en haar álles vertellen wat er tijdens deze reis gebeurd was - ze zou vooral klagen. Ze zou blij zijn om weer een haard te hebben, een goede maaltijd en een warm bed. Maar 's nachts zou ze bij haar slaapkamerraam zitten met haar boeken opengeslagen bij kaarslicht, naar de sterren buiten staren en zich afvragen wie er op een andere plaats naar de hemel keek, wat die persoon die dag had gedaan en of hij of zij nog interessante verhalen te vertellen had. Ze zou altijd dromen van verre oorden en mysterieuze streken en de wind in haar haren terwijl ze door bergen galoppeerde. Ze zou altijd houden van nieuwe dingen, terwijl ze vast zou zitten in haar oude routines, de gemakkelijke, de vertrouwde.

Het was haar eigen keuze. Het was Astrid. Het was de hoofdstad. Het was houden van en niet willen verlaten - niet verlaten willen worden.

Ze stak haar hand in de zak van haar nieuwe mantel - iets wat ze sinds ze hem gekregen had al te vaak had gedaan - en streek met haar vingers langs het labeltje.

Misschien zou die kleine leegte in haar borstkas ooit wel weggaan. Misschien zou ze ooit niet alleen denken dat ze gelukkig kon zijn, maar het ook echt zijn.

Ze keek naar Gwendolyn die dingen tegen haar paard aan het fluisteren was en voelde haar hart klemmen.

Het was niet moeilijk om zich voor te stellen hoe Gwen in tranen zou uitbarsten als ze niet zou krijgen wat ze wilde. Ze kon zo voor zich zien hoe de prinses haar luide stem nog eens zo luid zou maken, hoe ze haar een ijzig koude blik zou toewerpen, hoe ze niet meer zou proberen om het goed te maken met flauwe grapjes en verdoken complimentjes.

Ze wilde Gwen niet kwetsen. Ze wilde de Firvaanse markt vinden. Ze wilde de paddenstoel, die o zo fantastische, belangrijke, magische paddenstoel met haar eigen ogen zien. Ze wilde.

Toch kon ze alleen nog maar denken aan Gwens prachtige blauwe ogen, betraand en teleurgesteld.

Bạn đang đọc truyện trên: AzTruyen.Top