II
De jonge vrouw liep door het zachtgroene bos. Vogels floten om haar heen. Bladeren ritselden door de lichte wind en deed plantjes dansen. Haar witte jurk sleepte soms over het modderiger pad. Het was best warm en ze was blij dat ze mocht genieten van de nog jonge natuur.
Onder haar arm droeg ze een mand, die gevuld was met allerlei plantjes en kruiden. Af en toe stopte ze om plantjes uit de grond te trekken. Ze schudde het zand van de wortels af en legde ze in de mand. Terwijl ze bezig was, genoot ze van de zachte zon op haar bleke wangen. De wind waaide. Toen klonk er een geluid dat niet in een bos thuishoorde: het gehuil van een kind. Even stopte ze om te luisteren, maar het enige wat huilde, was de wind. Ze haalde haar schouders op en ging weer verder met het zoeken naar kruiden. Ze zag een mooi plantje met rode bessen en trok het uit de grond. Net op het moment dat ze het plantje uit de grond had getrokken, hoorde ze weer het gehuil van een kind. Dit keer was het luider dan de vorige keer. De jonge vrouw stopte even en hield haar adem in. Daar was het weer! Dit keer wist ze het zeker. Ergens was een kind, ze had het toch echt gehoord.
Het kwam van de kreek vandaan. Ze legde de mand met kruiden neer en liep met kleine passen naar de kreek. Weer hoorde ze het geluid. Terwijl ze om haar heen keek, zoekend naar de bron van het geluid, liep ze langs de kreek. Met elke stap die ze zette, werd het geluid luider en luider. Ze vertrapte dode blaadjes die knisperend onder haar voeten verpulverd werden. Toen zag ze het hutje, gemaakt van bladeren, takken en andere begroeiing. Voorzichtig liep ze ernaar toe, niet-wetend wat ze kon verwachten. Met haar hand veegde ze de takken wat opzij. Onder het gemaakte hutje, stond een mand, met een kraaiend kindje erin. Helderblauwe ogen, rood haar en een bloedende hand. Het mollige kindje lachte toen ze Lera zag. Het kindje zwaaide met zijn armpjes en beentjes en begon spontaan te lachen, maar bleef wild zwaaien met zijn armpjes en beentjes.
'Hé kleine man,' suste Lera. 'Wat doe jij hier, zo in je eentje?' De kleine jongen werd rustiger door de zachte klanken van Lera's stem. Hij keek haar aan, met zijn helderblauwe babyogen. Ze keek om zich heen, om te kijken of er een moeder in de buurt was. Wie liet er nou zomaar zo'n kindje achter in het bos? Zo hulpeloos en alleen?
'Ik laat jou hier niet achter,' zei Lera, terwijl ze de mand oppakte. 'Als er niemand is die je komt ophalen, zal ik voor je zorgen.' Ze keek naar het baby'tje en zag het handje dat wat bloed op zich had. 'Wat heb je gedaan?' vroeg ze zacht aan de kraaiende jongen. 'Nou, zullen we dan ook maar meteen iets aan je hand doen?' Ze knielde neer bij de mand en bekeek de wond eens goed. Er zat een behoorlijke snee in. Niet een snee die zomaar door een bramenstuik veroorzaakt had kunnen worden. Zachtjes wiegde ze de mand heen en weer. 'Ja, het is goed, grote man,' zei ze. 'Ssh, ga maar slapen. Je bent veilig,' prevelde ze zachtjes tegen het kindje. Het kindje lachte, maar knipperde al snel met zijn oogjes. 'Ja, toe maar, ga maar slapen. Ik zorg voor je.' Het kindje keek nog even naar zijn nieuwe moeder en viel toen in slaap.
Voorzichtig pakte Lera de mand op en liet er al wiegend mee terug. Onderweg pakte ze haar kruidenmand ook mee en liep met de twee manden, de hele weg terug naar het dorp. Het was rustig onderweg. Normaal gesproken was er altijd wel iemand die langskwam, maar vandaag was het rustig. Misschien wel te rustig.
De weg was lang en vermoeiend, vooral door de twee manden die ze onder haar armen meedroeg. Het kindje was niet heel zwaar, maar zwaar genoeg dat ze om het uur even moest blijven rusten.
Toen ze in het dorp kwam, was het al schemerig. De avond was nog jong, maar alle huizen waren al donker. Zelfs de olielampen achter de ramen waren allemaal gedoofd. Ze liep tussen de kleine huizen door naar haar huis. Alle huizen waren van hout en stonden in een kring om de put. Achter de voorste ring, was nog een achterste ring er en kwamen langzamerhand steeds meer huizen bij. Lera woonde in de tweede ring, met haar man Abbott. Er was niemand op het plein, vandaag. Ze vond het maar vreemd. Waar was iedereen heen?
Ze liep naar haar huis en stapte de kleine veranda op. Ze zette de mand met kruiden neer en opende de deur. Het was maar een klein huis, met een eetkamer met keuken, een slaapkamer en nog een kleine zolder. Buiten was het gemak. Lera zette de beide manden op de eettafel. De kleine jongen sliep nog steeds. Gelukkig maar, dat gaf Lera wat extra tijd om de kruiden te laten drogen in de keuken.
Abbott, die haar binnen had komen horen, kwam met een slaperig hoofd de slaapkamer uit. 'Waar ben je geweest?' vroeg hij fel, toen Lera binnenkwam. 'En waarom ben je zo laat terug? Het is al donker!'
'Je hoeft niet zo naar me te schreeuwen,' zei Lera rustig. 'Ik versta je ook wel als je gewoon praat en ik ben naar het bos geweest om kruiden en bessen te zoeken.' Ze hing de laatste paar takjes nog even in de keuken, zodat die nog wat konden rijpen.
Even keek Abbott verbaasd naar Lera, door haar gevatte opmerking. 'Het bos,' zei hij langzaam. 'Waarom ben je zo laat terug?' zei hij boos.
De stilte werd verbroken door gehuil. 'Kijk nou wat je gedaan hebt!' riep Lera op gedempte toon. 'Nou heb je hem aan het huilen gemaakt.'
Met een mond vol tanden keek Abbott zijn vrouw aan. Toen liep hij naar de tafel keek in de mand, waar het kindje lag te schreeuwen. 'Hoe kom jij aan een kind?' vroeg hij, nog altijd boos. Lera negeerde hem en zocht in de kastjes naar een lap en wat geneeskrachtige kruiden. 'Ik vond hem in het bos,' zei ze, terwijl ze door de kamer scharrelde op zoek naar de dingen die ze nodig had om het handje van de jongen te verbinden.
'Leg hem daar weer terug. Ik heb geen behoefte aan andermans kinderen,' zei Abbott fel. Lera stopte met het zoeken naar haar benodigdheden en keek hem met een geschokt gezicht aan.
'Het is een kind!' riep ze. De jongen in de mand begon nu nog harder te huilen door de woede van het echtpaar. 'En we hebben het nu al zo vaak geprobeerd. Ik kan geen kinderen krijgen, Abbott.'
'Zeg dat niet.'
'Word een realistisch. Na ruim tien pogingen lukt het niet om zwanger te worden. Jij hoeft niet voor hem te zorgen. Ga maar lekker je gang. Ik zorg wel voor hem, maar vraag me niet om hem af te staan. Hij is nog zo jong en hulpeloos! Hij heeft iemand nodig!'
'Best, maar laat het kind ophouden!' Geïrriteerd verliet Abbott de kamer.
'Luister maar niet naar hem,' fluisterde Lera tegen het kindje. 'Jij gaat nergens heen.' Voorzichtig pakte ze zijn handje en veegde het bloed weg met de lap die ze uit de keuken had gevist. Daarna smeerde ze er een goedje op en verbond het. 'Zo, dat is dat. Zo goed als nieuw. En niet aan zitten, hoor,' waarschuwde ze. 'Je hebt nog helemaal geen naam,' zei ze verschrikt. Liefkozend haalde ze haar hand over de kleine rode krulletjes. 'Ik noem je... Rowan.'
Lera wilde altijd al kinderen, maar het was haar niet gelukt om zwanger te raken. Nu ze het kleine ding in haar handen had, was ze gelukkig. Dit was wat ze graag wilde en het was wat ze had gekregen. Rowan kraaide en stak zijn vingers naar haar uit.
'Mijn kleine Rowan,' fluisterde Lera.
Bạn đang đọc truyện trên: AzTruyen.Top